Gemma Frisius 1508-2008

Er zijn vele redenen om de vijfhonderdste verjaring van de geboorte van Gemma Frisius niet onopgemerkt te laten voorbijgaan. Niet enkel binnen de geschiedenis van de Leuvense universiteit en van de wetenschap in onze gewesten is deze wiskundige, kosmograaf en medicus een centrale figuur.

In zijn eigen tijd speelde hij een rol op Europees niveau. Hij vond nieuwe methodes voor topografische triangulatie, schonk daarmee de cartografie een wiskundige basis en legde met zijn eigen werk, o.a. een wereldkaart, de grondslag voor de befaamde cartografische school van de Lage Landen.

Hij vervaardigde globes en allerlei observatie- en meetinstrumenten en maakte ook daarmee school. Tot een halve eeuw na zijn dood werden zijn werken over heel Europa gelezen, gebruikt en herdrukt. Ze muntten uit door hun pedagogische aanpak, wat onder meer tot uiting kwam in de rijkelijke illustratie.

Hij legde uit hoe geografische lengtemeting mogelijk is en hoe men zich op zee kan oriënteren.

Zijn handboek voor rekenkunde kende een tachtigtal edities en was daarmee het meest verspreide

van de zestiende eeuw. Als een der allereersten was hij een aandachtig lezer van Copernicus en sloot hij zich aan bij diens wereldvisie. En welke andere hoogleraar kan zich beroemen op leerlingen als Vesalius, Mercator en Dodoens?

Top

Van Dokkum naar Leuven

Jemme, zoals zijn Friese naam luidde, werd op 8 december 1508 geboren in Dokkum als zoon van Reinier. Familienamen waren toen in de Noordelijke Nederlanden nog niet gebruikelijk en wanneer hij zich later aan de Leuvense universiteit liet inschrijven werden zijn naam en patroniem verlatijnst tot Gemma Reyneri. Latere auteurs hebben dit misverstaan en van “Reinier” Gemma’s voornaam gemaakt.

In zijn publicaties betitelde hij zichzelf van bij het begin als “Gemma Phrysius”, onder verwijzing naar zijn geboortestreek, maar ongetwijfeld ook met een knipoog naar het antieke Phrygië – zoals onder humanisten paste.

Zes jaar oud zou hij op 5 juni, feest van Sint Bonifatius, miraculeus genezen zijn van een kreupelheid die hem van zijn geboorte tekende. De plaatselijke patroonheilige werd in 754 als missionaris door de ongekerstende Friezen vermoord te Dokkum. Nog in de twintigste eeuw signaleerde men miraculeuze genezingen bij de Bonifatiusbron in dit stadje. Voor het overige is weinig geweten over Gemma’s jeugdjaren. In alle geval behield hij steeds een kleine en tengere gestalte en een zwakke gezondheid.

Na een eerste vorming aan de Latijnse school van Groningen, kwam hij in het najaar van 1525 naar Leuven waar hij zich liet inschrijven als artesstudent in de pedagogie De Lelie. Op 19 maart 1528 studeerde hij af als 31ste van de artespromotie van dat jaar. Nadien blijkt hij de lessen te hebben gevolgd van het Collegium Trilingue, zeker Latijn en Grieks, misschien ook Hebreeuws. Dat was geen onverwachte keuze voor een alumnus van De Lelie, de pedagogie die bekend stond omwille van haar sympathie voor de humanistische wetenschap en waar Erasmus tot 1521 had gewoond.

De regent van de pedagogie, Jan Heems (ca.1495-1560), was tevens hoogleraar geneeskunde, wat kan bijgedragen hebben tot Gemma’s oriëntatie in deze richting. Wellicht ook in deze periode kreeg hij onderricht in de wiskunde van Johannes Driedo (ca.1480-1535), professor in de theologie die eerder aan de Artesfaculteit had gedoceerd.

Top

Renaissancegeleerde

Gemma verbleef te Leuven in een milieu waar het Renaissance-humanisme tot volle bloei kwam en waarin levendige belangstelling bestond voor wiskunde, astronomie en astrologie. Zeer jong nog ging hij zelf bijdragen leveren op dit gebied. Hij was amper eenentwintig toen in 1529 zijn eerste boek verscheen, een aangevulde heruitgave van een inleiding tot de kosmografie, samengesteld door de Beierse geograaf Petrus Apianus (1495-1552). Hij zou het werk nadien verder aanvullen en ook na Gemma’s dood werd het nog herdrukt en vertaald. Alles samen kende dit succeswerk dertig edities, de laatste in 1609. Het jaar daarop, in 1530, publiceerde hij een inleiding tot de astronomie en kort daarop een eerste aardglobe.

Johannes Dantiscus (1485-1548)Zijn Leuvense leermeesters en vrienden brachten Gemma begin 1531 in contact met Johannes Dantiscus (1485-1548), gezant van de Poolse koning bij Karel V die toen in de Nederlanden verbleef. Dantiscus was een bewonderaar en mecenas van kunstenaars, humanisten en geleerden. Hij bleek erg opgezet met de jonge geleerde en nam hem in dienst. Dantiscus was ook de grote vriend en beschermheer van de Poolse astronoom Nicolaus Copernicus (1473-1543) en hij blijkt reeds toen Gemma te hebben ingelicht over diens observaties en theorieën. Toen Dantiscus in maart 1532 naar Polen terugkeerde om bisschop te worden van Chelmno, vroeg hij Gemma om hem te vergezellen. Na enig aarzelen bedankte deze en bleef hij zich in Leuven verder toeleggen op wiskunde, astronomie en geneeskunde. Ze bleven echter ook in de jaren daarop met mekaar in contact. Uit hun latere correspondentie blijkt hoe Gemma poogde, via Dantiscus, op de hoogte te blijven van Copernicus’ vorderingen. Vóór augustus 1536 studeerde Gemma af als licentiaat in de geneeskunde en op 30 augustus 1541 promoveerde hij tot doctor in de medicijnen. Intussen was hij op 2 juni 1534 gehuwd met Barbara, buitenechtelijke dochter van een geestelijke.

Top

Onderwijs, wetenschap en praktijk

In 1535 werd Gemma opgenomen in de universiteitsraad, wat betekende dat hij zijn beroepsbezigheden uitoefende in een universitaire context. Behalve met publicaties en een succesrijke medische praktijk, – hij werd zelfs door keizer Karel V geraadpleegd -, kwam hij aan de kost met onderwijs in de wiskunde aan een steeds groeiende groep geïnteresseerde studenten. Een dergelijk statuut van Privatdozent was in het zestiende-eeuwse Leuven geen uitzondering. Gaandeweg werd de groep studenten steeds internationaler. De bekendste onder hen was wellicht de Engelse wiskundige, astroloog en alchemist John Dee (1527-1608), die in 1547-1548 te Leuven verbleef en later carrière zou maken aan het hof van Mary Tudor, Elisabeth I en keizer Rudolf II.

Rond 1540 blijkt Gemma ook benoemd te zijn tot hoogleraar in de geneeskunde, al is zijn precieze opdracht niet helemaal duidelijk. Mogelijk doceerde hij o.m. anatomie. In 1542 maakte hij mee hoe de medische faculteit grondig werd hervormd, de twee titularissen van de officiële leerstoelen werden bedankt en vervangen door Jeremias Triverius (1504-1554), sinds lang een grote vriend van Gemma. De twee vrienden, die vaak samen op straat te zien waren, stonden in Leuven bekend als par impar, het ongelijke paar: Triverius groot, stevig, gezet; Gemma klein en tenger. Als de ene ziek was, werd hij door de andere verzorgd. Beiden stonden ze in 1542, samen met de burgers, studenten en andere collega’s, met de wapens in de hand paraat toen Leuven werd belegerd door de Gelderse benden van Maarten van Rossum en hielpen ze mee bij het succesvol afslaan van de aanval.

Het verhaal van Vesalius hoe Gemma hem hielp om een lijk van de galg te halen werd met veel fantasie verteld door de romantische historici.Het verhaal van Vesalius hoe Gemma hem hielp om een lijk van de galg te halen werd met veel fantasie verteld door de romantische historici.
Houtgravure uit Les Belges illustres, dl.3, Brussel, 1844.

Gerard Mercator, portretgravure door Frans HogenbergGerard Mercator
Portretgravure door Frans Hogenberg, 1574.


Gemma’s eigen horoscoop,gereproduceerd in zijn De astrolabo catholico liber van 1556
Gemma’s eigen horoscoop,gereproduceerd in zijn De astrolabo catholico liber van 1556 (1) Gemma’s eigen horoscoop,gereproduceerd in zijn De astrolabo catholico liber van 1556 (2)

Andreas VesaliusGemma onderhield uitstekende contacten met aankomende grote wetenschappers. Andreas Vesalius (1514-1546) vertelt in zijn Fabrica hoe Gemma hem in 1536 hielp om het skelet van een gehangene van de galg net buiten Leuven naar beneden te halen en spreekt vol lof over diens kwaliteiten als medicus en wiskundige. De aard- en hemelglobes die Gemma in 1535-1537 ontwierp werden uitgevoerd in samenwerking met zijn leerling Gerard Mercator (1512-1594) en de Leuvense edelsmid Gaspar van der Heyden. In 1540 publiceerde hij, mogelijk met de hulp van hetzelfde tweetal, een wereldkaart, waarvan geen exemplaar meer bekend is, maar die internationaal ophef maakte.

Vanaf dat jaar beschikte Mercator blijkbaar te Leuven over een eigen atelier waarin hij, enigszins als concurrent van zijn leermeester, globes bouwde, instrumenten vervaardigde en kaarten produceerde. Het atelier van Gemma zelf werd blijkbaar tot na 1580 voortgezet door zijn neef Gualterus Arsenius die bijzonder fraaie en correcte instrumenten bouwde voor een internationaal publiek. Hij en Regnerus Arsenius (broer of zoon van Gualterus?) brachten in de instrumentenbouw de vernieuwingen in de praktijk die Gemma in een aantal publicaties had voorgesteld: over de astronomische ring in 1534, de jacobstaf in 1545, het astrolabium in een postume publicatie van 1556. Theoretische en praktische wetenschap kunnen in het oeuvre van Gemma moeilijk gescheiden worden. Het doel van astronomische vooruitgang blijft op de eerste plaats een verfijning van de astrologische methodes.

Dodoens, inleiding tot de astronomieOok de botanicus Dodoens was een leerling van Gemma, publiceerde een inleiding tot de astronomie en stelde in 1550 voor de leerlingen van het Collegium Trilingue deze korte tekst over de Griekse kalender samen. Het documentje bleef bewaard onder de papieren van Cornelius Valerius.

Top

Copernicaan

Nicolaus Copernicus, De revolutionibus orbium coelestium, Nurenberg, 1543 Toen Georg Joachim Rhetius in 1540 met de Narratio prima een voorlopige samenvatting van Copernicus’ observaties en hypothesen publiceerde, bleek Gemma die binnen het jaar te hebben gelezen. In zijn brieven aan Dantiscus lezen we hoe hij de inhoud ervan bewonderde en hoe hij uitkeek naar de aangekondigde grote boek. In januari 1543 kon zijn Poolse vriend hem meedelen dat dit eindelijk in druk was en dadelijk na het verschijnen ervan zette Gemma zich aan de lectuur van De revolutionibus orbium coelestium. Met hoeveel aandacht en sympathie hij dit heeft gedaan, blijkt uit zijn exemplaar dat bewaard is gebleven, volgeschreven met Gemma’s aantekeningen, commentaren en eigen observaties. In zijn latere publicaties verwijst hij vaak naar Copernicus’ werk, drukt hij zijn bewondering ervoor uit en sluit hij zich bij diens stellingen aan. Hij was als eerste in onze gewesten ervan overtuigd dat uit wiskundig oogpunt het heliocentrische systeem het best mogelijke was, ook al bleven er vragen over de bewegingen van de aarde en de banen van de planeten. Op dit gebied deelde hij in feite de onzekerheden met Copernicus zelf. Verscheidene van Gemma’s leerlingen, zoals Johannes Stadius (1527-1579) die titularis werd van de nieuwe leerstoel wiskunde en belangrijke astronomische observaties publiceerde, hebben deze overtuiging gedeeld.

Cornelius Gemma Tot de belangrijkste leerlingen van Gemma behoorde zijn oudste zoon, die “Gemma” als familienaam gebruikte. Cornelius Gemma (1535-1578) werd in 1569 benoemd tot hoogleraar in de geneeskunde. Meer dan zijn vader toonde hij interesse voor filosofische problematiek. Op zoek naar methodische vernieuwing in wetenschap en didactiek integreerde hij de ervaring van de instrumentenbouwers met neoplatoonse filosofie om tot een vernieuwing van de astrologie te komen.
Na 1550 ging de gezondheid van vader Gemma erop achteruit. Blijkbaar sukkelde hij met nier- of blaasstenen. Zijn ziekte werd hem fataal op 25 mei 1555. Hij kreeg een graf bij de Leuvense dominicanen, in hun kerk Onze-Lieve-Vrouw-ter-Predikheren. Boven zijn graf werd een geschilderd portret geplaatst en een fraai Latijns vers waarin het contrast werd onderstreept tussen zijn bescheiden gestalte en zijn intellectueel formaat.

Top